|
© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl) |
|||||
| Meer opgaven |
![]() |
||||
|
|
|||||
|
|
Twee
politieagenten zitten in hun patrouillewagen langs een lange
rechte weg. Opeens komt er met enorme vaart een auto
langsgereden. Hij rijdt met constante, maar veel te hoge
snelheid. De agenten schrikken wakker en zetten de achtervolging in. In onderstaande grafiek zie je de afstand van de politiewagen én de afstand van de overtreder, gemeten vanaf het punt waar de politieauto stond, als functie van de tijd. t is de tijd in seconden met t = 0 het moment dat de politieauto begint te rijden. S is de afstand in meters. |
||||
|
|
|||||
| Voor de overtreder blijkt te gelden S(t) = 40t + 500 | |||||
| a. | Hoeveel km/uur rijdt de overtreder? | ||||
| b. | Bepaal met de grafiek op welk moment de overtreder en de politieauto even hard reden. | ||||
| Voor de politieauto blijkt te gelden: S(t) = 0,2t2 + 30t | |||||
| c. | Geef een algebraïsche berekening van je antwoord op vraag b). | ||||
| d. | Hoeveel km/uur is de snelheid van de politieauto groter dan de snelheid van de overtreder op het moment dat de politieauto de overtreder inhaalt? Geef een algebraïsche berekening. | ||||
| e. | Toon aan dat de politieauto met constante versnelling rijdt. | ||||
|
|
Een punt P
gaat bewegen vanuit stilstand. Het punt ondergaat een versnelling die op tijdstip t gelijk is aan 0,5t m/s2. Geef een formule voor de afgelegde afstand en voor de snelheid op tijdstip t. |
||||
|
|
Voor de snelheid v(t)
van een voorwerp op tijdstip t geldt: v(t)
= 4 + 3Öt Op tijdstip t = 1 heeft het voorwerp 10 meter afgelegd. De versnelling op tijdstip t = 1 is gelijk aan 7 m/s2 |
||||
| a. | Bereken de versnelling op tijdstip t = 9. | ||||
| b. | Bereken de afgelegde weg op tijdstip t = 4. | ||||
|
|||||
|
|
|||||
|
© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl) |
|||||