Los op en geef in de vorm a + bi:
(bereken indien nodig a en b in twee decimalen).
a.
z3 = 8i
e.
z3 = 6 + 4i
b.
z2 = 2 + 6i
f.
(z - i)3 = 3i
+ 5
c.
z5 = -32
g.
(2i + 3 + 2z)3 = 2
- 2i
d.
z4 = 1 + i
h.
(iz)5 = 2i
Bereken alle mogelijke uitkomsten
van de volgende uitdrukkingen, en schrijf die in de vorm a
+ bi:
a.
√(2 - 3i)
c.
b.
√(2 + 2i) +
√(3i)
d.
Een wortel exact....
In deze opgave ga je √(1/2Ö2
+ 1/2iÖ2)
berekenen. Dat ga je doen op twee verschillende manieren.
a.
Toon met de regel van de Moivre aan
dat geldt :
√(1/2Ö2
+ 1/2iÖ2)
= cos(1/8π)
+ i • sin(1/8π)
Door te stellen
√(1/2√2
+ 1/2iÖ2)
= a + bi, dus (a + bi)2
= 1/2√2
+ 1/2iÖ2
kun je door de haakjes weg te werken twee vergelijkingen
opstellen voor a en b
b.
Toon aan dat geldt a2
- b2 = 1/2√2
en 2ab = 1/2Ö2
c.
Toon aan dat daaruit volgt
a2 = 1/4√2
+ 1/2
d.
Wat volgt daaruit voor de exacte
waarde van cos 1/8π?
Hiernaast zie je in het
complexe vlak een punt z getekend en daarmee ook
z2, z3, z4,
enz.
Er is ook een cirkel met straal 2 en middelpunt O getekend, maar
verder is er geen schaalverdeling.
a.
Hoe kun je in één
oogopslag zien dat de afstand van z tot O groter
dan 1 is?
De machten van z
vormen een soort van spiraal. Het lijkt erop dat z8
bijna op de cirkel met straal 2 ligt, en dat z10
bijna op de negatieveimaginaire as ligt.
b.
Wat moet je voor z kiezen
zodat dat niet bijna klopt, maar exact?