|
© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)
|
|
Meer opgaven |
|
 |
 |
| |
|
|
|
 |
Neem in de volgende opgave aan
dat toetscijfers continu zijn (dus dat in principe elke waarde
mogelijk is).
In de eerste toetsweek van de examenklassen blijkt er een
duidelijke positieve correlatie te bestaan tussen de behaalde
wiskunde-B cijfers en de wiskunde-D cijfers.
De wiskunde-B cijfers zijn normaal verdeeld met een gemiddelde
van 5,2 en een standaarddeviatie van 1,4.
De wiskunde-D cijfers zijn normaal verdeeld met een gemiddelde
van 6,7 en een standaarddeviatie van 2.1.
Helaas is de wiskunde-D toets van Klazien kwijtgeraakt!!!
Op de wiskunde-B toets had ze een 6.0.
Haar wiskunde leraar stelt voor om haar, volgens de
regressietheorie (met de wiskunde B toets als oorzaak), ongezien een
7,8 te geven.
Daaruit berekent Klazien snel dat de correlatiecoëfficiënt
ongeveer gelijk is geweest aan 0,92. |
| |
|
|
|
| |
a. |
Toon dat aan. |
|
| |
|
|
|
| |
b. |
Hoe groot is ongeveer de kans dat
Klazien op de wiskunde D toets een onvoldoende had? |
| |
|
|
|
 |
Men vermoedt dat er een verband is
tussen het geboortegewicht (G in gram) van een baby en de
draagtijd (D in dagen). Een langere draagtijd lijkt een groter
geboortegewicht tot gevolg te hebben. Metingen leverden
onderstaande tabel. |
| |
|
|
|
| |
| |
| D |
221 |
224 |
240 |
247 |
250 |
250 |
256 |
267 |
271 |
| G |
1900 |
2650 |
2875 |
2400 |
2140 |
2990 |
3000 |
3100 |
3500 |
|
| |
|
| |
|
|
|
| |
a. |
Geef een vergelijking van de
regressielijn. |
|
| |
|
|
|
| |
b. |
Neem aan dat de residuen normaal verdeeld zijn.
Stel dat bij mijzelf de draagtijd gelijk was aan 260 dagen. Hoe
groot is dan de kans dat mijn geboortegewicht minder dan 2800
gram was? Geef je antwoord in twee decimalen nauwkeurig. |
| |
|
|
|
 |
Een groot aantal jaren heeft een
fruitkweker het gemiddelde gewicht van zijn appels en het
gemiddelde aantal uren zonneschijn per dag bijgehouden.
Het gewicht van de appels was normaal verdeeld, met een
gemiddelde van 172 g en een standaarddeviatie van 12 g. Het
aantal uren zon was ook normaal verdeeld, met een gemiddelde van
4,3 uur en een standaarddeviatie van 1,1 uur.
Het blijkt dat er een correlatiecoëfficiënt van 0,86 is. Neem de
uren zon als oorzaak en het gewicht als gevolg,
Hoeveel procent van de appels in een jaar met gemiddeld 4,8 uren
zon zullen een gewicht tussen de 170 en 175 g hebben? |
| |
|
|
|
 |
Bereken voor de
onderstaande tabel de standaarddeviatie van de residuen, σd,
op twee manieren. |
| |
|
|
|
| |
a. |
Reken alle residuen uit, zet die in
een lijst van je GR en bereken daarna van die lijst de
standaarddeviatie. |
| |
|
|
|
| |
b. |
Bereken de correlatiecoëfficiënt
r en vervolgens met de formule hierboven de
standaarddeviatie van de residuen. |
| |
|
|
|
| |
| x |
20 |
21 |
22 |
23 |
25 |
26 |
28 |
28 |
30 |
31 |
33 |
33 |
36 |
38 |
| y |
18 |
16 |
18 |
15 |
16 |
14 |
13 |
16 |
14 |
12 |
10 |
14 |
12 |
8 |
|
| |
|
|
|
 |
Bij een groot aantal proefpersonen
is de bloeddruk gemeten en het cafeïnegebruik. Men vermoedde
namelijk dat een hoge bloeddruk vaak het gevolg is van een hoog
cafeïnegebruik. Het cafeïnegebruik (in mg per dag) was normaal
verdeeld met een gemiddelde van 400 en een
standaarddeviatie van 150.
De bloeddrukwaarden (bovendruk in mm Hg) waren ook normaal
verdeeld met een gemiddelde van 122 en een standaarddeviatie van
14.
Voor iemand die 500 mg cafeïne per dag gebruikt voorspelde men
naar aanleiding van dit onderzoek een bloeddruk van 130 mg
Hg. |
| |
|
|
|
| |
a. |
Hoe groot was de
correlatiecoëfficiënt van dit onderzoek? |
| |
|
|
|
| |
b. |
Hoe groot is de kans dat deze
persoon een bloeddruk van meer dan 140 zal hebben? |
| |
|
|
|
| |
c. |
Hoe groot zal de kans op een
bloeddruk van meer dan 140 zijn voor iemand die 600 mg
cafeïne gebruikt? |
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| |
|
|
 |
|
© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)
|