|
© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl) |
|||
![]() |
|||
| 1. | a. | Twee grijze lijnen van T
loodrecht op AD en AB snijden elkaar in T' (de plaats van de top boven
het grondvlak) trek twee blauwe lijnen van T' loodrecht op DC en op CB |
|
| b. | Twee grijze lijnen van T
loodrecht op AD en BC snijden elkaar in T' (de plaats van de top boven
het grondvlak) trek twee blauwe lijnen van T' loodrecht op DC en op AB |
|
|
| c. | Twee grijze lijnen van T
loodrecht op AB en BC snijden elkaar in T' (de plaats van de top boven
het grondvlak) trek drie blauwe lijnen van T' loodrecht op AE, ED en DC. |
|
|
| 2. | a. | zie hiernaast. PQ2 = (8 + 4)2 + (8 + 2)2 = 244 PQ = √244 |
![]() |
| b. | zie hiernaast. Omdat Q het midden van RTB is, is RB = 2 QR2 = 42 - 22 = 12 dus QR = √12 PQ2 = 62 + (8 + √12)2 PQ2 = 36 + 64 + 16√12 + 12 PQ2 = 112 + 16√12 PQ = √(112 + 16√12) ≈ 12,94 |
|
|
| c. |
|
||
| AFE en EHQ zijn
dezelfde driehoeken met hoeken 30º - 60º - 90º Daarom is EF = EH = 3 AF2 = 62 - 32 dus AF = √27 = QH PG = 9 + √27 QG = 3 + √27 PQ2 = (9 + √27)2 + (3 + √27)2 PQ2 = 81 + 18√27 + 27 + 9 + 6√27 + 27 = 144 + 24√27 PQ = √(144 + 24√27) ≈ 16,4 |
|||
| 3a. |
|
||
| De kegelmantel is een
rechthoek met hoogte 12 en breedte 2 •
π • 5
= 10π PQ2 = 122 + (10π)2 PQ = √(144 + 100π2) ≈ 33,63 |
|||
| 3b. |
|
||
| PQ2 = 122
+ (20π)2 PQ = √(144 + 400π2) ≈ 63,97 |
|||
| 4. |
|
||
| Zie de figuur
linksboven. AC2 = 102 + 102 = 200 dus AC = √200 = 10√2 Dan is MB = 5√2 TB2 = 102 + (5√2)2 = 150 dus TB = √150 Zie de uitslag rechtsboven. De figuur is symmetrisch dus AC staat loodrecht op TB. De oppervlakte van driehoek ABT is dan 0,5 • TB • AP = AP • 0,5√150 TN2 = 150 - 52 = 125 dus TN = √125 De oppervlakte van driehoek ABT is dan gelijk aan 0,5 • AB • TN = 5√125 Dus moet gelden 5√125 = AP • 0,5√150 AP = 5√125/0,5√150 ≈ 9,13 AC = 2 • 9,13 = 18,26 De omtrek is dan ongeveer 18,26 + AC = 32,40 |
|||
| 5. | a. | De uitslag ziet er zó uit: | |
|
|
|||
| Dat blauwe lijnstuk
is een kwart van de omtrek van de grondcirkel, dus
1/4
• 2πr Pythagoras: (40 + 10π)2 + 302 = AB2 Dat geeft AB = 77,46 cm dus ongeveer 75 mm |
|||
| b. | Gelijkvormige
driehoeken: PR/AR = 30/(20 + 20 + 10p) PR = 30/71,42 • 40 = 16,80 dus dat is 168 mm |
||
| 6. |
|
||
| toelichting: Begin met vierkant ABCD (4 bij
4) |
|||
| 7. | Leg de uitslag van de
cilindermantel 10 keer naast elkaar. Dat wordt een rechthoek van 600 bij 110. De route is dan een rechte lijn met lengte √(6002 + 1102) = 610 cm |
||