© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)

     
1. Noem de hoogte van het eraf gesneden deel h
Dan volgt uit gelijkvormigheid:  h/3 = (h + 8)/6
6h = 3h + 24
h = 8

De oorspronkelijke kegel had hoogte 16.

De straal van de uitslag is dan  Ö(162 + 62) = 17,08
Het getekende deel heeft omtrek 2p × 6 = 12p = 37,70
Dat is dus  17,08/37,70 × 360 = 163° 

De straal van het weggelaten deel is  Ö(32 + 82) = 8,54
Dat geeft de volgende uitslag:
       
 

       
2.
       
  de omtrek van de grondcirkel is 50/360 × 2p × 6 = 5,236
dan is de straal daarvan 5,236/2p = 0,83

de omtrek van de bovencirkel is 50/360 × 2p × 4 = 3,490
dan is de straal daarvan 3,490/2p = 0,56

De oorspronkelijke kegel had hoogte  h2 = 62
- 0,832  dus  h = 5,94
Het eraf gesneden deel had hoogte  h2 = 42
- 0,562  dus  h = 3,96

De afgeknotte kegel heeft hoogte 5,94
- 3,96 = 1,98

 
       
3.

       
  AB2 = 62 + 82  geeft  dat  AB = 10
De uitslag is dus een deel van een cirkel met straal 10.
De grondcirkel van de kegel heeft straal 6 en omtrek 12π. Dat is de groene rand in de uitslag.
De omtrek van de hele cirkel van de uitslag is 2 • π • 10
Dus het deel dat voor de kegel wordt gebruikt is  12/20 deel, en heeft dus een hoek in het midden van 12/20 • 360 = 216º

Q ligt precies tegenover P dus halverwege de groene rand, dus hoek QBP is 108º
Teken de loodlijn BR van B op PQ.
Dan geldt in driehoek BQR:  sin54º = QR/10  dus  QR = 10 • sin54º = 8,09
Dan is PQ = 2 • 8,09 = 16,18  (of onafgerond;  20sin54º)