© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)

     
1. a. De leeftijd.
       
  b. De bevolkingsdichtheid.
       
  c. Het inkomen.  
       
  d. Het jaargetijde.
       
2. veel taart eten levert medailles op   OF   medaillewinnaars eten vaak taart.

dragen van een mes lokt geweld uit  OF  als er veel geweld is gaan mensen vaker een mes dragen.

van veel eten word je ongelukkig  OF  ongelukkige mensen gaan vaker/meer eten.

van veel beleggen word je rijk  OF  mensen die rijker zijn kunnen/gaan meer beleggen.

grote bosbranden veroorzaken temperatuursstijging OF  een hogere temperatuur zorgt voor meer bosbranden.

meedoen met de staatsloterij maakt mensen dommer  OF  dommere mensen doen vaker mee aan de staatsloterij.

contact met jongeren houdt ouderen vitaler OF als ouderen vitaler zijn houden ze meer contact met jongeren
   
3. we vinden de volgende correlatiecoëfficiënten:

AB:  r = -0,93
AC:  r = -0,10
AD:  r =  0,95
BC:  r =  0,08
BD:  r = -0,81
CD:  r = -0,08

Het drietal ABD vertoont sterke correlatie
Elk van de drie kan de derde factor zijn bij de correlatie van de andere twee
   
4. AB negatief:  als A groter wordt, dan wordt B kleiner
BC positief:  als B kleiner wordt, dan wordt C ook kleiner.

Dus als A groter wordt, dan wordt C kleiner.
A en C vertonen negatieve correlatie.
   
5. a. de gemiddelde levensduur
die wordt langer als je minder hartinfarcten zijn,
maar als mensen langer leven zullen er ook meer doden door kanker zijn.
       
  b. Als een geneesmiddel een bepaalde ziekte voorkomt zullen er minder mensen aan die ziekte sterven, maar dan zullen er meer aan een andere ziekte sterven (ze moeten toch érgens aan doodgaan....)