|
© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl) |
|||
![]() |
|||
| 1. | a. |
![]() |
|
![]() |
|||
![]() |
|||
| b. | Na 4 jaar komt de
bevolkingshoeveelheid van na 1 jaar er weer uit! Dat betekent dat er om de drie jaar hetzelfde zal gebeuren. Deze drie bevolkingsopbouwen blijven elkaar afwisselen/opvolgen. |
||
| c. | Stel dat de aantallen
200 - X - 100 zijn Dan zijn de aantallen over een jaar 200 - 160 - 0,625X Dus moet gelden X = 160 Dan is inderdaad 0,625X = 100 De vogelliefhebber moet dus 40 volwassen vogels toevoegen. |
||
| d. | noem de aantallen J,
V, B dan zijn de nieuwe aantallen 2B, 0,8J en 0,625V dus moet gelden: J = 2B dus B = 0,5J V = 0,8J Het totaal is dan J + V + B = J + 0,5J + 0,8J = 2,3J = 345 Dan is J = 150 en B = 75 en V = 120 |
||
| 2. | De lesliematrix is de volgende (als 10 Jongen één volwassenen voortbrengen, dan brengt één Jonge gemiddelde 0,1 volwassenen voort): | ||
![]() |
|||
| Over 6 weken vermenigvuldigen met L6 : | |||
![]() |
|||
| Dat zijn er in totaal 123580. | |||
| 3. | a. | 1/3
blijft middelgroot, 1/6
wordt groot dus er verdwijnt 1 - 1/3
- 1/6
= 1/2. Hij verkoopt de helft. |
|
| b. | "van m naar m" is niet nul, en dat moet bij een Lesliematrix wél. Diersoorten kunnen niet even oud blijven. | ||
| c. |
|
||
| Dit zijn de aantallen bomen per categorie over een jaar. | |||
| d. |
|
||
| Dus moet gelden
1/3x
+ 400 = 1200 ⇒ x
= 2400 De kweker moet 2400 kleine bomen hebben Omdat 1/3x = 800 moet hij elk jaar 1600 kleine bomen bijplanten. |
|||
| 4. | a. |
|
|
| J = 1000 in 200 geeft
V = 800 in 2005, dus a = 0,8 V = 500 in 2000 geeft O = 250 in 2005 dus b = 0,5 V = 500 en O = 500 in 2000 geeft J = 1100 in 2005 dus 500c + 500d = 1100 .....(1) V = 800 en O = 250 in 2005 geeft J = 715 in 2010 dus 800c + 250d = 715 ......(2) Uit (1) en (2) kun je c en d berekenen: (2) geeft 1600c + 500d = 1430 trek daar (1) van af: 1100c = 330 dus c = 0,3 Dan volgt uit (1) of (1) dat d = 1,9 |
|||
|
|
|||
| b. | Stel de
evenwichtsaantallen J, V en O Dan moet gelden 0,3V + 1,9O = J 0,8J = V ofwel J = 1,25V 0,5V = O tweede en derde invullen in de eerste: 0,3V + 1,9 • 0,5V = 1,25V en dat klopt Er is dus evenwicht mogelijk, en de verhoudingen J - V - O zijn 1,25 - 1 - 0,5 Dat klopt met de vorm van piramide B OF: het zelfde verhaal met de gegeven matrix: 0,5V + 1,5O = J 0,8J = V ofwel J = 1,25V 0,5V = O invullen: 0,5V + 1,5 • 0,5V = 1,25V en dat klopt. de verhoudingen dan hetzelfde, dus ook B |
||
| c. | Splits de groep
ouderen in twee groepen O1 en O2 en maak er een 4 × 4
matrix van. O1 en O2 gaan alleen naar J (zelfde getal als nu van O naar J), verder nullen. Van V gaat de helft naar O1 en de helft naar O2 |
||
| 5. | a. | Omdat de bevolkingsgroepen 5 jaar breed zijn betekent elke vijf jaar dat je één keer met M moet vermenigvuldigen: | |
![]() |
|||
![]() |
|||
![]() |
|||
| b. | Stel die hoeveelheden J, V en B,
dan geldt: 1 • V + 3/4 • B = J 2/3 • J = V 2/3 • V = B Uit de tweede volgt J = 1,5V en uit de derde B = 2/3V en die kun je samen invullen in V + B + J = 400 Dat geeft 25/6V = 400 dus V = 96 Dan is B = 64 en J = 144 |
||
| c. |
![]() |
||
| Dat betekent dat om de drie jaar de hoeveelheid in elke leeftijdsgroep wordt vermenigvuldigd met 2/9. Dus de totale hoeveel ook om de drie jaar. | |||
| d. | De groeifactor van
het totale aantal is 2/9
per 3 jaar (zie vraag c) 30000 • (2/9)x = 50 geeft x = 4,25 Dat is na 4,25 • 3 = 13 jaar. |
||
| 6. | a. | de 1210 exemplaren van 1-2 maanden oud zijn een periode later veranderd in de 1030 exemplaren van 2-3 maanden oud. De kans dat een exemplaar nog leeft is dus 1030/1210 = 0,85 | |
| b. |
![]() |
||
| c. |
![]() |
||
| De laatste kolom is afgerond op gehelen. De totale populatie is 2960. | |||
| 7. | a. | VAN jonge vlieg NAAR oude vlieg is factor 2k, maar dat kan nooit meer dan 1 zijn, immers het zijn degenen die overleven. Dus 2k ≤ 1 dus k ≤ 0,5. | |
| b. | Dat waren de 773 eitjes bij telling 22. Die zijn één telling later allemaal jong (en alle exemplaren die in telling 22 'jong' waren zijn een week later oud geworden) | ||
| c. | van eitje naar jong:
alle 773 Dus bij telling 23 waren er 773 jonge vliegen en 994 -773 = 221 ouden Stel dat er bij telling 22 x jongen waren en dus 926 - x ouden Dat geeft bij telling 23 dan 7kx + 4k(926 - x) eitjes en dat moet gelijk zijn aan 887 Verder geeft dat bij telling 23 ook 2kx ouden en dat moet gelijk zijn aan 221 7kx + 4k(926 - x) = 887 ⇒ 7kx + 3704k - 4kx = 887 ⇒ 3kx + 3704k = 887 2kx = 221 geeft x = 221/2k en dat kun je invullen in de vorige vergelijking: 3k • 221/2k + 3704k = 887 331,5 + 3704k = 887 3704k = 555,5 k ≈ 0,15 en dat geeft voor telling 24: |
||
![]() |
|||
| Dat geeft 944 eitjes en 887 + 232 = 1119 vliegen, en dat klopt precies met de werkelijke aantallen. | |||
| 8. | a. |
![]() |
|
| b. | De 302 km2
klasse 1 op t = 0 is op t = 1 overgegaan in 300 km2
klasse 2, dus g1 = 300/302 = 0,993 en dan is dus b1 = 0,007 De 284 km2 klasse 2 op t = 0 is op t = 1 overgegaan in 278 km2 klasse 3, dus g2 = 278/284 = 0,979 en dan is b2 = 0,021 |
||
| c. | Uiteindelijk zal de vegetatie stabiel worden, en bestaan uit 19% klasse 1, 19% klasse 2, 18% klasse 3 en 44% klasse 4. | ||
| d. |
![]() |
||
| 9. | a. | Elk exemplaar heeft per periode gemiddeld 0,25 nakomelingen | |
| b. |
![]() |
||
![]() |
|||
|
© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl) |