|
|
OPGAVEN |
|
|
1. |
Bewijs dat cos(11/2π
- x) = -sinx |
|
|
2. |
Bewijs dat sin(π
- x) = sin x |
|
|

|
|
|
OPLOSSING |
|
|
1. |
Zie de bovenste
figuur hiernaast.
Als punt P hoort bij hoek
α, dan hoort punt Q
bij hoek 1,5π -
α.
De lengte van het rode lijnstukje is gelijk aan cos(1,5π-α)
bij punt Q maar ook gelijk aan sinα bij punt
P.
Alleen is het teken verschillend; bij Q is het negatief, bij P positief.
Daarom is cos(1,5π -
α)
= -sin
α |

|
|
|
2. |
Zie de onderste
figuur hiernaast.
Als punt P hoort bij hoek
α,
dan hoort punt Q bij hoek p-α.
De lengte van het rode lijnstukje is
gelijk aan sin(π-α)
bij punt Q maar ook gelijk aan sinα bij punt
P.
Beiden zijn positief.
Daarom is sin(π -
α)
= sinα |
|
|
 |