Dit is een mogelijke oplossing:
Nummer de munten 1 tm 13.
Voer de volgende wegingen uit:
weging links rechts
1 1+2+3+4 5+6+7+8+9
2 2+5+10 1+6+9+11+12
3 - 2+3+4+5+8+9+10+11+13
Omdat de valse munt maar een klein beetje verschilt van een echte komt het extra gewicht elke keer op de linkerschaal, want op de rechterschaal ligt elke keer minstens een hele munt extra.
Als een goede munt g gram weegt zullen de drie gewichten in de buurt van g, 3g en 9g liggen want zoveel extra munten liggen in de rechterschaal. Daarmee is ook het probleem opgelost welk gewicht bij welke weging hoorde.

Definieer nu voor elke munt een vector V met drie kentallen die aangeeft of de betreffende munt bij de wegingen 1, 2 en 3 in de linkerschaal (1) of de rechterschaal (-1) of nergens (0) lag.
Dat geeft:

munt vector V
1 (1, -1, 0)
2 (1, 1, -1)
3 (1, -1 , -1)
4 (1, 0, -1)
5 (-1, 1, -1)
6 (-1, -1, 0)
7 (-1, 0, 0)
8 (-1, 0, -1)
9 (-1, -1, -1)
10 (0, 1, -1) 
11 (0, -1, -1)
12 (0, -1, 0)
13 (0, 0, -1)


Neem voor W de vector met kentallen de drie gewichten die de boer noemt (in de goede volgorde) en M de vector (1, 3, 9). Stel dat een zuivere munt g gram weegt, en de valse munt f gram méér.

Dan kun je het resultaat van de wegingen schrijven als:  W = gM - fV             (1)

voorbeeldje tussendoor:
Stel dat een zuivere munt 100 gram weegt en de valse 102 en dat nummer 5 de valse is.
Dan noemt de boer de gewichten 102 en 198 en 902, en er geldt:
Even nu een stukje vectormeetkunde:
Als A = (a1,a2,a3) en  B = (b1, b2, b3) dan is     A • B = a1b1 + a2b2 + a3b3
Als  A • B = 0 dan staan de vectoren loodrecht op elkaar
Als A en B twee vectoren zijn die niet afhankelijk zijn ("afhankelijk" betekent dat de kentallen van de één een veelvoud van die van de ander zijn en dat de vectoren dezelfde richting hebben), dan is er een derde vector C te vinden die loodrecht op beiden staat. Bovendien is elke vector die loodrecht op beiden staat dan te schrijven als k • C

(eigenlijk staat hier alleen maar dat twee verschillende richtingen een vlak bepalen en dat er maar één richting is loodrecht op een vlak)

Wat hebben we hieraan?
We zoeken voor elke vector V uit de tabel hierboven een nieuwe vector U die loodrecht op V én op M staat. Dat geeft deze tabel:
munt vector V vector U
1 (1, -1, 0) (9, 9, -4)
2 (1, 1, -1) (6, -5, 1)
3 (1, -1 , -1) (3, 5, -2)
4 (1, 0, -1) (3, -10, 3)
5 (-1, 1, -1) (3, 2, -1)
6 (-1, -1, 0) (9, -9, 2)
7 (-1, 0, 0) (0, 3, -1)
8 (-1, 0, -1) (3, 8, -3)
9 (-1, -1, -1) (3, -4, 1)
10 (0, 1, -1)  (12, -1, -1)
11 (0, -1, -1) (6, 1, -1)
12 (0, -1, 0) (9, 0, -1)
13 (0, 0, -1) (3, -1, 0)
Uit de blauwe vergelijking (1) hierboven:  W = gM - fblijkt dat als een vector U loodrecht op V én op M staat dat hij dan ook loodrecht op W moet staan, want de richting van W is kennelijk opgebouwd uit een aantal maal M en een aantal maal V.
Dus zal gelden W • U = 0
Daarna geeft de blauwe vectorvergelijking (1) ons drie vergelijkingen waaruit makkelijk g en f kunnen worden bepaald.
voorbeeldje:

Stel dat de boer de gewichten  104  en  276  en  840 noemt. Dan berekenen we eerst voor elke munt W • U:
munt vector U W • U
1 (9, 9, -4) 60
2 (6, -5, 1) 84
3 (3, 5, -2) 12
4 (3, -10, 3) 72
5 (3, 2, -1) 24
6 (9, -9, 2) 132
7 (0, 3, -1) -12
8 (3, 8, -3) 0
9 (3, -4, 1) 48
10 (12, -1, -1) 132
11 (6, 1, -1) 60
12 (9, 0, -1) 96
13 (3, -1, 0) 36


De valse munt is dus nummer 8.
De blauwe vergelijking (1) geeft:

Daaruit volgt:
104 = g + f   en   276 = 3g  en  840 = 9g + f
We lossen dat makkelijk op tot  g = 92 en f = 12
Ofwel:

Een zuivere munt weegt 92 gram.
Nummer 8 is de valse en die weegt 104 gram.