VWO WA, 2024 - I | ||
Horen. | ||||||||||
Het ene geluid
klinkt zachter dan het andere. We zeggen dan dat het geluidsniveau
in decibel (dB) lager is. Een spreekstem bijvoorbeeld heeft een
geluidsniveau van 60 dB en in een discotheek is het geluidsniveau
ongeveer 100 dB. Sommige geluiden zijn zo zacht dat het menselijk oor ze niet meer kan waarnemen. Deze geluiden zijn zachter dan de zogenoemde gehoordrempel. Andere geluiden zijn zo hard dat ze een onverdraagbaar pijngevoel veroorzaken: ze liggen boven de zogenoemde pijngrens. De hoogte van gehoordrempel en pijngrens hangen niet alleen af van het geluidsniveau maar ook van de toonhoogte van het geluid. De figuur hieronder geeft hier informatie over. Langs de verticale as staat het geluidsniveau in dB. Langs de horizontale as staat, met een logaritmische schaalverdeling, de toonhoogte; deze wordt uitgedrukt in hertz (Hz). |
||||||||||
|
||||||||||
In de figuur kun je
zien dat geluid met een toonhoogte van 100 Hz en een niveau van 130 dB
op de pijngrens ligt en dus erg onaangenaam is voor het menselijk oor.
In de figuur kun je ook zien dat er bij een geluidsniveau van 10 dB geluiden met verschillende toonhoogtes zijn die precies op de gehoordrempel liggen. |
||||||||||
3p. | 1. | Bepaal met behulp van de figuur welke toonhoogtes hier worden bedoeld. | ||||||||
Bij popconcerten en in discotheken is er vaak een erg hoog geluidsniveau. In een artikel over gehoorschade bij jongeren staan de tips en tricks zoals vermeld in onderstaande tekst. | ||||||||||
|
||||||||||
Uit bovengenoemde vuistregel volgt het exponentiële verband T = 8 × 0,79D - 80 tussen de maximale tijd T in uren die je zonder gehoorschade ergens kunt zijn en het geluidsniveau D in dB. De groeifactor g is bij benadering 0,79. | ||||||||||
3p. | 2. | Bereken deze groeifactor in drie decimalen. | ||||||||
In een discotheek is het geluidsniveau ongeveer 100 dB. Een verblijf van een paar minuten zonder oordoppen kan dan al gehoorschade opleveren. | ||||||||||
3p. | 3. | Bereken met behulp van de formule T = 8 × 0,79D - 80 hoeveel gehele minuten je maximaal zonder oordoppen in een discotheek met een geluidsniveau van 100 dB aanwezig kunt zijn zonder dat dat gehoorschade oplevert. | ||||||||
Door het trillen van de lucht hoor je geluid. Deze trillingen veroorzaken een kleine variatie in de luchtdruk. Deze variatie in luchtdruk wordt geluidsdruk p genoemd. Het is mogelijk om de geluidsdruk te meten en hiermee het bijbehorende geluidsniveau D vast te stellen. Daarvoor wordt gebruikgemaakt van de volgende formule: | ||||||||||
D = 20 × log(p) - 26,02 |
||||||||||
In deze formule is p de geluidsdruk, gemeten in mPa (micropascal), en D weer het geluidsniveau in dB. | ||||||||||
3p. | 4. | Bereken de geluidsdruk die hoort bij een geluid met een geluidsniveau van 70 dB. Geef je antwoord in hele duizendtallen. | ||||||||
Iemand doet de volgende bewering: “Volgens de formule D = 20 × log(p) - 26,02 geldt: wanneer de geluidsdruk verdubbelt, neemt het geluidsniveau toe met (ongeveer) 6 dB.” | ||||||||||
3p. | 5. | Toon met behulp van de rekenregels voor logaritmen aan dat deze bewering klopt. | ||||||||
Water bottle flip | |||
Bij ‘water bottle flipping’
gooit men een plastic flesje dat gedeeltelijk met water is gevuld in
de lucht. Hierbij is het de bedoeling om het flesje in de lucht te
laten draaien en op de bodem te laten landen, zodanig dat het flesje
rechtop blijft staan. |
![]() |
||
Vijf studenten natuurkunde van de Universiteit Twente hebben onderzocht wat de optimale vullingsgraad van een plastic flesje is voor een goede flip. De optimale vullingsgraad is het gewicht aan water (in gram) dat in het flesje zit gedeeld door het totale gewicht aan water (in gram) dat in het flesje kan, waarbij de flip zo goed mogelijk lukt. Voor het berekenen van de optimale vullingsgraad V van een flesje hebben de studenten de volgende formules opgesteld: | |||
|
|||
Hierin is: | |||
- | V de optimale vullingsgraad | ||
- | w het totale gewicht aan water in gram dat in het flesje kan | ||
- | f het gewicht van het lege flesje in gram | ||
Een klein leeg plastic flesje weegt 17 gram. Dit flesje kan gevuld worden met in totaal 330 gram water. | |||
3p. | 6. | Bereken, gebruikmakend van bovenstaande formules voor V en M, hoeveel gram water in dit flesje gedaan moet worden voor de optimale vulling. Geef je antwoord in een geheel aantal grammen. | |
Veel plastic
flesjes kunnen gevuld worden met in totaal 500 gram water. Voor deze
flesjes geldt voor het gewicht in gram G dat nodig is voor de
optimale vulling: G = 500 × V
. Voor deze flesjes kan met behulp van bovenstaande formules
voor V en M een formule opgesteld worden, waarmee G
direct berekend kan worden als het gewicht van het lege flesje (f)
bekend is. Een formule voor G is: |
|||
|
|||
3p. | 7. | Geef de herleiding van deze formule voor G uit de gegeven formules voor V en M en G = 500 × V. | |
In een grote plastic fles kan meer water ten opzichte van het gewicht van de fles dan in een klein plastic flesje. Hierdoor neemt M toe naarmate de grootte van de fles toeneemt. De optimale vullingsgraad van kleine plastic flessen kan vergeleken worden met die van grote plastic flessen met behulp van de afgeleide dV/dM | |||
4p. | 8. | Schets de grafiek van dV/dM en beredeneer aan de hand van deze schets of de optimale vullingsgraad toeneemt of afneemt naarmate de grootte van de fles toeneemt. | |
Meerlingen | |||
Een vrouw bevalt na een zwangerschap meestal van één kind. Een meerling, dat zijn twee of meer kinderen die uit één zwangerschap geboren worden, komt van nature weinig voor. Een drieling is een meerling van drie kinderen. Een drieling kan op drie manieren ontstaan: | |||
- | uit één eitje: in dat geval zijn de drie kinderen van een drieling genetisch identiek en dus van hetzelfde geslacht. We spreken dan van een eeneiige drieling. | ||
- | uit twee eitjes: in dat geval zijn twee kinderen genetisch identiek en dus van hetzelfde geslacht, maar het derde kind is genetisch verschillend (en kan van hetzelfde of verschillend geslacht zijn). We spreken dan van een twee-eiige drieling. | ||
- | uit drie eitjes: in dat geval zijn alle drie de kinderen onderling genetisch verschillend. We spreken dan van een drie-eiige drieling. | ||
We gaan er in deze opgave verder van uit dat een kind bij de geboorte altijd een jongen of een meisje is. | |||
4p. | 9. | Onderzoek hoeveel verschillende samenstellingen er voor een drieling bestaan als je let op geslacht en op de drie manieren waarop een drieling kan ontstaan. Licht je antwoord toe. | |
Bij de
opkomst van de zogeheten IVF-techniek eind jaren tachtig van de
vorige eeuw werden vaak meerdere bevruchte eicellen
teruggeplaatst om de slagingskans van IVF te vergroten. Hierdoor
nam in verhouding het aantal drie(-plus)lingen (een meerling van
drie of meer kinderen) ook toe. In 1980 waren er in Nederland 180 517 geboorten, waarvan slechts 25 van een drie(-plus)ling. In 1991 waren er in Nederland van de 196 698 geboorten 124 drie(-plus)linggeboorten. |
|||
3p. | 10. | Bereken met hoeveel procent het percentage drie(-plus)lingen in 1991 is toegenomen ten opzichte van het percentage drie(-plus)lingen in 1980. Geef je antwoord in gehele procenten. | |
Algemeen wordt aangenomen dat de grootste meerling die op natuurlijke wijze kan ontstaan een negenling is. De Duitse onderzoeker Hellin voorspelde al in 1895 het volgende voor meerlingen bij natuurlijke zwangerschappen: | |||
- | Gemiddeld 1 op de 89 geboorten is de geboorte van een tweeling. | ||
- | Gemiddeld 1 op de 892 geboorten is de geboorte van een drieling. | ||
- | Gemiddeld 1 op de 893 geboorten is de geboorte van een vierling. | ||
- | ….. | ||
- | Gemiddeld 1 op de 898 geboorten is de geboorte van een negenling. | ||
Dit werd later door andere wetenschappers de wet van Hellin genoemd. De getallen (1 op de) 89, 892, 893, …, 898 in de wet van Hellin vormen een rij. Deze rij kan worden gebruikt om een formule op te stellen voor de rij P(n), waarbij P(n) het percentage n-ling-geboorten ten opzichte van het totale aantal geboorten is. Een recursieve formule voor P(n) is: | |||
|
|||
Er kan ook een directe formule voor P(n ) opgesteld worden. | |||
3p. | 11. | Stel een
directe formule op voor P(n). Geef deze in de vorm P(n) = b · rn . |
|
Er zijn tegenwoordig wetenschappers die aannemen dat bij een natuurlijke zwangerschap gemiddeld 1 op de 80 geboorten de geboorte van een tweeling is, 1 op de 802 de geboorte van een drieling, …, 1 op de 808 de geboorte van een negenling. We nemen hierbij aan dat de grootst mogelijke meerling een negenling is. | |||
4p. | 12. | Bereken hoeveel procent van de geboorten in dat geval de geboorte van een eenling is. Geef je antwoord in één decimaal. | |
Veldleeuweriken | |||
De
laatste tientallen jaren is het in Nederland voor veel
weidevogels lastiger geworden om geschikte broedplaatsen te
vinden. Dit komt doordat landbouwgrond steeds intensiever en
gevarieerder wordt gebruikt, en doordat steden voortdurend
verder uitbreiden. Grasland is het voornaamste broedgebied voor weidevogels. Uit een onderzoek van Sovon Vogelonderzoek Nederland blijkt dat in de jaren vanaf 1990 tot en met 2014 ruim 150 000 hectare grasland verloren is gegaan. Dat is een daling van 14 procent. |
|||
2p. | 13 | Bereken hoeveel hectare grasland er nog was in Nederland in 2014. Geef je antwoord in duizenden hectares. | |
Een van de weidevogelsoorten die het meest in aantal is afgenomen, is de veldleeuwerik. In de jaren vanaf 1990 tot en met 2000 bleef de procentuele afname per jaar ten opzichte van het jaar ervoor nagenoeg gelijk. Dit gold ook voor de jaren vanaf 2001 tot en met 2005. In de volgende figuur zijn deze jaarlijkse procentuele afnamen voor deze twee periodes weergegeven voor drie verschillende soorten gebieden: duingebieden, heidegebieden en agrarische gebieden. | |||
|
|||
In de figuur is bijvoorbeeld te zien dat in de jaren vanaf 2001 tot en met 2005 het aantal veldleeuweriken in duingebieden jaarlijks met 7,8% afnam. | |||
4p. | 14 | Bereken met behulp van deze figuur hoeveel procent minder veldleeuweriken er in duingebieden waren in 2005 ten opzichte van het aantal in 1989. Geef je antwoord in gehele procenten. | |
In onderstaande figuur zie je voor heel Nederland hoe het percentage veldleeuweriken zich in de jaren vanaf 1990 tot en met 2014 ontwikkelde ten opzichte van het totale aantal veldleeuweriken in 1990. | |||
|
|||
We
voeren de variabelen P en t in. Hierin is P
het percentage veldleeuweriken ten opzichte van het totale
aantal veldleeuweriken in 1990 in Nederland en is t
de tijd in jaren met t = 0 in het jaar 1990. Ondanks de schommelingen kan het verband tussen P en t in de jaren vanaf 1990 tot en met 2005 goed benaderd worden met een meetkundige rij. Uit de figuur valt af te lezen dat het totale aantal veldleeuweriken in Nederland in 2005 nog maar 40% was van het totale aantal veldleeuweriken in 1990. |
|||
4p. | 15. | Stel met behulp van dit gegeven een recursieve formule op voor de rij. Geef de getallen in je antwoord zo nodig in drie decimalen. | |
Sovon deed niet alleen onderzoek naar het aantal veldleeuweriken in Nederland, maar ving ook regelmatig jonge veldleeuweriken om ze te meten en te wegen. In onderstaande figuur is van 265 gevangen jonge veldleeuweriken het gewicht uitgezet tegen de zogeheten tarsuslengte, dat is de lengte van het onderbeen. | |||
|
|||
In deze figuur is ook een kromme weergegeven die het verband tussen het gewicht en de tarsuslengte benadert. Deze kromme kan worden beschreven met de formule: | |||
|
|||
Hierin
is G het gewicht in grammen en T de
tarsuslengte in millimeters. Het gewicht van een jonge veldleeuwerik heeft een grenswaarde. |
|||
4p. | 16. | Beredeneer aan de hand van de formule voor G, dus zonder gebruik te maken van getallenvoorbeelden, hoe groot deze grenswaarde is. | |
Het gewicht van jonge veldleeuweriken neemt in het begin steeds sneller toe naarmate de tarsuslengte toeneemt. Op een bepaald moment is deze toenamesnelheid maximaal. | |||
4p. | 17. | Bereken met behulp van de formule voor de afgeleide van G de maximale toenamesnelheid van het gewicht. Geef je antwoord in grammen per mm in één decimaal. | |
Honkbalsalarissen | ||||
Honkbal is een van de populairste sporten in de
Verenigde Staten. Omdat honkbal vooral een tactische
sport is en kracht en snelheid minder belangrijk zijn
dan bij veel andere sporten, kunnen professionele
honkballers normaal gesproken tot rond hun veertigste
jaar aan de top meespelen. Naarmate een speler ouder
wordt en meer seizoenen mee heeft gespeeld, zal deze
speler meer ervaring opdoen en beter worden, en zijn
salaris zal dus ook stijgen. In onderstaande figuur staan de gemiddelde salarissen van alle honkballers uit de belangrijkste Amerikaanse competities tussen 1995 en 2018. |
||||
|
||||
In
de grafiek kun je bijvoorbeeld aflezen dat honkballers
van 21 jaar gemiddeld 0,4 miljoen dollar per jaar
verdienen en honkballers van 28 jaar gemiddeld 2,6
miljoen dollar. Uit de figuur blijkt dat het salaris tussen de 21 en 28 jaar nagenoeg exponentieel toeneemt. Het is, uitgaande van exponentiële groei, mogelijk een formule op te stellen van het verband tussen de leeftijd en het gemiddelde jaarsalaris van honkballers. |
||||
4p. | 18. | Stel met behulp van de gegevens van 21- en 28-jarige spelers een formule op voor het gemiddelde jaarsalaris S in duizenden dollars van honkballers van t jaar oud. Geef de getallen in je antwoord zo nodig in drie decimalen. | ||
Zo’n exponentiële benadering gaat ervan uit dat de
salarissen steeds maar blijven stijgen, maar in de
grafiek is duidelijk te zien dat de exponentiële
stijging niet doorzet. Een andere benadering van de salarissen van honkballers is de formule: |
||||
|
||||
Hierbij is W het gemiddelde jaarsalaris in
duizenden dollars en t de leeftijd in jaren. Volgens de formule voor W zal het salaris naar een grenswaarde toe stijgen. In werkelijkheid nemen de salarissen vanaf een leeftijd van (ongeveer) 36 jaar juist weer af. Professionele honkballers van 39 jaar verdienen gemiddeld 4,54 miljoen dollar per jaar. |
||||
4p. | 19. | Bereken hoeveel procent lager dit salaris is dan de grenswaarde van W. Geef je antwoord in één decimaal. | ||
De
WAR-waarde van een honkballer is een getal dat aangeeft
hoe belangrijk deze honkballer voor een team is. Voor een honkballer wordt elke wedstrijd zijn WAR-waarde berekend. In een seizoen worden deze WAR-waarden opgeteld tot zijn totale WAR-waarde. Uit deze totale WAR-waarde en het aantal wedstrijden dat deze honkballer speelde, is zijn gemiddelde WAR-waarde per wedstrijd te berekenen. In de volgende figuur zijn de gemiddelde WAR-waarden per wedstrijd in de Amerikaanse competitie van 2019 weergegeven voor honkballers van verschillende leeftijden. |
||||
|
||||
In
de praktijk is de gemiddelde WAR-waarde per wedstrijd
een getal tussen de 0 en de 1, waarbij een 0 betekent
dat de honkballer geen enkele bijdrage heeft geleverd en
een 1 betekent dat een honkballer een zeer grote
bijdrage leverde. Met behulp van de gegevens uit de figuur kan worden berekend hoeveel een honkballer gemiddeld per WAR-punt aan salaris ontvangt. |
||||
|
||||
Cody Bellinger was een van de best presterende honkballers in de Amerikaanse competitie van 2019. Cody was toen 24 jaar oud en had een WAR-gemiddelde van 0,76. Hij was daarmee destijds de meest waardevolle honkballer van de competitie. Zijn salaris was in dat seizoen $ 605 000 per jaar en dat is minder dan het gemiddelde van zijn leeftijdgenoten; dat was namelijk $ 660 000. | ||||
3p. | 20. | Bereken met behulp van bovenstaande gegevens en de figuur hoeveel salaris Cody had moeten krijgen zodat zijn salaris per WAR-punt hetzelfde was als het gemiddelde van zijn leeftijdgenoten. Geef je antwoord in miljoenen dollars en rond in je antwoord af op twee decimalen. | ||
Getij. | |||
Getij
ontstaat door de aantrekkingskracht die de zon en de
maan hebben op het zeewater. De zeewaterstand gaat
hierdoor afwisselend omhoog en omlaag. Er zijn
verschillende manieren om deze waterstand te
benaderen. Manus en Jan Willem bepalen bij Nes op Ameland de waterstanden bij laag- en hoogwater. Bij laagwater is de waterstand –123 centimeter ten opzichte van NAP (Normaal Amsterdams Peil). Zes uur later is het hoogwater, en de waterstand is dan +87 centimeter ten opzichte van NAP. Manus benadert de waterstand tussen de tijdstippen van laag- en hoogwater met een sinusfunctie en Jan Willem benadert de waterstand met de twaalfdelenregel. Bij de twaalfdelenregel wordt de waterstand benaderd door lijnstukken (delen van een rechte lijn) met elkaar te verbinden. De tijd tussen laag- en hoogwater wordt in zes gelijke delen verdeeld. Beginnend op het tijdstip van laagwater gaat de verandering van de waterstand bij de twaalfdelenregel als volgt: |
|||
- | Gedurende het eerste, tweede en derde deel stijgt de waterstand respectievelijk 1/6, 2/6 en 3/6 deel van de amplitude. | ||
- | Gedurende het vierde, vijfde en zesde deel stijgt de waterstand respectievelijk 3/6, 2/6 en 1/6 deel van de amplitude. | ||
|
|||
In de figuur zijn de benaderingen van de waterstanden met de twaalfdelenregel en de sinusfunctie weergegeven met respectievelijk een doorgetrokken en een gestippelde kromme. Het grootste verschil tussen beide benaderingen treedt op vlak voor en vlak na laagwater en vlak voor en vlak na hoogwater. | |||
9p. | 21 | Onderzoek wat het maximale verschil is tussen de manieren waarop Manus en Jan Willem de waterstand benaderen. Geef je antwoord in hele millimeters. | |
UITWERKING | |||||
Het officiële (maar soms beknoptere) correctievoorschrift kun je HIER vinden. Vooral handig voor de onderverdeling van de punten. | |||||
1. |
![]() |
||||
aflezen bij de rode pijlen: 200, 7000 en 1000 | |||||
2. | Bij
toename van 3 dB halveert de tijd, dus g3 = 0,5 Dan is g = 0,51/3 = 0,794 |
||||
3. | D =
100 invullen: T = 8 × 0,79100 - 80 = 0,071... uur Dat is 4 minuten |
||||
4. | 70 =
20 × log(p)
- 26,02 96,02 = 20 log(p) log(p) = 96,02/20 = 4,801 p = 104,801 = 63241 dat is in duizenden 63000 |
||||
5. | Dvooraf = 20
× log(p) - 26,02 als p verdubbelt dan geldt Dna = 20 × log(2p) - 26,02 Dna = 20 × (log(2) + log(p)) - 26,02 Dna = 20 × log(2) + 20 · log(p) - 26,02 Dna = 20 × log(2) + Dvooraf 20 · log(2) = 6,02... dus de bewering klopt |
||||
6. | f
= 17, w = 330 M = 330/17 = 19,41.... V = (Ö(1 + 19,41) - 1)/19,41 = 0,181... de vullingsgraad is dan 0,181 · 330 = 60 gram |
||||
7. |
![]() |
||||
Dat geeft de gevraagde formule. | |||||
8. | GR. in Y1 de formule voor V in Y2 de afgeleide ervan: math - nderive - d/dX(Y1) | X = X (Y1 vind je bij vars - Y-Vars - 1:Function) Dat geeft een grafiek die helemaal onder de x-as ligt. De afgeleide is overal negatief dus de grafiek van V daalt overal. Dus als M toeneemt dan neemt de optimale vullingsgraad af. |
||||
9. |
een-eiig: JJJ of MMM twee mogelijkheden twee-eiig: JJ-J of JJ-M of MM-M of MM-J: vier mogelijkheden drie-eiig: JJJ of MMM of JJM of MMJ: viermogelijkheden In totaal dus 2 + 4 + 4 = 10 mogelijkheden. |
||||
10. | 1980:
25 van de 180517 is 25/180517*100 =
0,000138... % 1991: 124 van de 196698 is 124/196698 * 100% = 0,000630...% dat is een toename van 0,000492 en dat is 0,000492/0,000138 * 100% = 355% |
||||
11. | het is
een exponentiële formule met groeifactor 1/89 P(n) = B · (1/89)n P(2) = 100/89 geeft dan 100/89 = B · (1/89)2 Dan is B = 8900 P(n) = 8900 · (1/89)n |
||||
12. | de
groeifactor is nu 1/80 je moet uitrekenen: P(2) + P(3) + ... + P(9) gebruik de rijen van de GR: mode-seq Y= nmin = 2 u(n) = u(n - 1)/80 u(2) =100/80 v(n) = v(n - 1) + u(n) v(2) = 100/80 TABLE geeft dan v(9) = 1,2658... Dus 1,27% is meerling, dus 98,7% is eenling maar je kunt het natuurlijk ook best gewoon met de hand uitrekenen..... |
||||
13. | 14% is 150000 en er is nog 86% over. | ||||
|
|||||
?? = 86 · 150000/14 = 921428 hectare dus ongeveer 921000 hectare | |||||
14. | De
afnamepercentages zijn 9,6% en 7,8% Dat betekent groeifactoren 0,904 en 0,922 De factor 0,904 geldt 11 jaar lang en de factor 0,922 geldt 5 jaar lang. Samen geeft dat factor 0,90411 · 0,9225 = 0,219... Dat is een afname van 78% |
||||
15. | in 15
jaar is de factor 0,4 per jaar geldt dan g15 = 0,4 g = 0,41/15 = 0,9407 De recursieformule is dan P(n) = 0,9407 · P(n - 1) met P(0) = 100 |
||||
16. | als
T naar oneindig gaat, dan gaat -0,307 naar min-oneindig dan gaat e-0,307T naar nul dan gaat de noemer naar 1 Dan gaat G naar 22/1 + 0 = 31 De grenswaarde is dus G = 31 gram |
||||
17. | De
afgeleide van e-0,307T is
-0,307 e-0,307T (de -0,307 komt
van de kettingregel) Dat geeft |
||||
![]() |
|||||
Invoeren inde GR en dan calc - zero Dat geeft T = 1,7 gram |
|||||
18. | de
groeifactor is 2.6/0,4 = 6,5 in 7 jaar g7 = 6,5 g = 6,51/7 = 1,307 0,4 = B · 1,30721 = B · 274,625 B = 0,4/274,625 = 0,001457 en in duizenden is dat 1,457 De formule is S(t) = 1,457 · 1,307t |
||||
19. | als je
t = 100 of een ander groot getal invult dan vind je de
grenswaarde W = 5500 4540 is daarvan 4540/5500 · 100% = 82,54% Dat is dus ongeveer 17,5% lager. |
||||
20. |
aflezen: voor 24-jarigen is de WAR-waarde per wedstrijd 0,26 het salaris per WAR-punt is dus 0,66/0,26 = 2,538... miljoen dollar zijn salaris moet dan 2,538 · 0,76 = 1,929.... zijn Dat is ongeveer 1,93 miljoen dollar. |
||||
21. |
sinusgrafiek: evenwichtslijn -18 amplitude: 87 - -18 = 105 periode 12 uur dus in de formule: c = 2p/12 = p/6 beginpunt t = 3 Dat geeft W(t) = -18 + 105sin(p/6(t - 3)) twaalfdelenregel: het water stijgt het eerste uur na laagwaterstand met 105/6 = 17,5 cm de beginwaarde is -123 cm dat geeft de lineaire formule W(t) = -123 + 17,5t verschil in de GR Y1 = (-123 + 17,5t) - (-18 + 105sin(p/6(t - 3))) calc - maximum tussen t = 0 en t = 1 geeft dan maximum bij t = 0,6186... van 5,36570... Het maximale verschil is 54 mm. |
||||