| |
 |
| |
© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)
|
|
|
Lineaire Afbeeldingen. |
| |
|
|
|
Als je een punt uit
het vlak als een vector opschrijft dan kun je die vector
vermenigvuldigen met een 2×2 matrix M om een
nieuwe (beeld)vector te krijgen.
Deze les zullen we bekijken hoe de getallen uit de matrix M bepalen wat
het beeld van een vector wordt.
Nou ja... een beetje...
We beperken ons tot zogenaamde lineaire
afbeeldingen en dat zijn afbeeldingen waarvoor
geldt: |
|
|
|
|
|
|
|
Laten we met een eenvoudig voorbeeldje beginnen. |
|
|
|
 |
| Laten we maar gewoon
wat punten proberen: |
|
 |
| Dat geeft het
volgende plaatje: |
| |
|
|
|
|
 |
| |
|
|
|
Zie je wat die matrix
M "doet" met een vector?
Hij draait hem "een stukje" tegen de klok in, en maakt hem
"ietsje" langer.
Preciezer onderzoek zal uitwijzen dat matrix M een vector draait over 45°
en de lengte ervan vermenigvuldigt met √2
Dat heet een draaivermenigvuldiging.
Maar wat er in het vlak gebeurt is niet altijd zo mooi
regelmatig. Als de vier getallen van de matrix willekeurig zijn, kun je
meestal niet zo'n mooie beschrijving geven.
Laten we een paar speciale
gevallen bekijken, dan komen we straks terug op die
draaivermenigvuldigingen. |
| |
|
|
|
|
1. Vermenigvuldigingen (F). |
| |
|
|
|
Een vermenigvuldiging
t.o.v. de oorsprong met een bepaalde factor k betekent dat je een
vector alleen langer maakt, maar dat hij dezelfde richting houdt. Als je
met een negatief getal vermenigvuldigt, dan wordt de richting
tegengesteld.
Het natuurlijk duidelijk dat je dat voor elkaar kunt krijgen door gewoon
elk kental met die factor te vermenigvuldigen.
We noteren dat als FO,k en
deze matrix hoort daarbij: |
| |
|
|
|
|
 |
| |
|
|
|
|
2. Spiegelingen (S). |
| |
|
|
|
• Als je een vector
OA in de x-as spiegelt, dan draait het y-kental om.
• Als je een vector OA in de y-as spiegelt, dan draait het x-kental
om.
• Als je een vector in de oorsprong spiegelt, dan draaien beide
kentallen om.
Ik hoop dat je ziet dat dat precies is wat deze drie matrices doen. |
| |
|
|
|
|
 |
| |
|
|
|
Spiegelen in de
oorsprong is natuurlijk precies hetzelfde als vermenigvuldigen met
factor -1 t.o.v. de oorsprong.
Oh ja, een leuke is natuurlijk ook nog spiegelen in de lijn y
= x: dan verwisselen de beide kentallen: |
| |
|
|
|
|
 |
| |
|
|
|
| Spiegelingen in
andere lijnen, daarover meer in de volgende les. |
| |
|
|
|
|
3. Rotaties (R). |
| |
|
|
|
| Laten we proberen om
een vector met lengte L en hoek
β met de x-as om
een hoek
α te draaien: |
| |
|
|
|
|
 |
| |
|
|
|
Combineer de eerste
met de tweede figuur, en gebruik de som- en verschilformules voor sinus
en cosinus:
x ' = Lcos(α +
β) = L(cosα
• cosβ - sinα
• sinβ) = xcosα
- ysinα
y' = Lsin(α +
β) = L(sinα
• cosβ + cosα
• sinβ) = xsinα
+ ycosα
Daarmee hebben we de matrix voor een draaiing over een hoek
α (Rα)
gevonden. Denk erom dat tegen de klok in positief is! |
| |
|
|
|
|
 |
| |
|
|
|
|
Draaivermenigvuldigingen. |
| |
|
|
|
Dat
draaivermenigvuldigen is ineens een makkie!
Je draait eerst en vermenigvuldigt daarna (of andersom, dat maakt
niet uit).
Neem het voorbeeld van helemaal bovenaan deze les: draaien over 45°
en vermenigvuldigen met √2: |
| |
|
|
|
|
 |
|
 |
En dat laatste is
inderdaad precies wat je krijgt als je op de vector de matrix helemaal
bovenaan deze les toepast.
Je kunt die matrix gewoon krijgen door beide afzonderlijke matrices met
elkaar te vermenigvuldigen. De volgorde waarin maakt niet uit. |
| |
|
|
|
|
 |
| |
|
|
|
|
De beelden van de basisvectoren. |
| |
|
|
|
Soms kun je heel snel
de matrix van een lineaire afbeelding opstellen als je weet waarop de
basisvectoren worden afgebeeld.
Immers er geldt: |
| |
|
|
|
|
 |
| Wat zien we? |
|
"de kolommen van de matrix zijn de
beelden van de basisvectoren" |
|
| |
|
|
|
| Als je dus had gezien
dat bij draaien over 45°
en vermenigvuldigen met √2 precies geldt dat: |
|
 |
Dan had je direct in
één keer die matrix op kunnen schrijven.
In het algemeen kun je ook die matrix opstellen als de beelden van twee
willekeurige onafhankelijke vectoren bekend zijn (onafhankelijk
betekent dat de enen niet een aantal keer de andere is)
Dat doe je gewoon door een stelsel vergelijkingen op te stellen.
|
Voorbeeld.
Voor een lineaire
afbeelding geldt: |
|
 |
|
| Geef de matrix die
bij deze afbeelding hoort. |
|
| |
|
| Oplossing 1. |
|
 |
|
De eerste geeft 2a
+ 3b = -5 ...(1) en 2c + 3d = 14
...(2)
De tweede geeft -a + 2b = -8 ...(3)
en -c + 2d = 7 ...(4)
uit (3) volgt a = 2b + 8 en dat kun je invullen in
(1): 4b + 16 + 3b = -5 dus b
= -3 en dan is a = 2
uit (4) volgt c = 2d - 7 en dat kun je invullen
in (2): 4d - 14 + 3d = 14 dus
d = 4 en dan is c = 1 |
|
 |
|
| |
|
Oplossing 2.
Probeer nullen te maken om de beelden van de basisvectoren te vinden. |
|
 |
|
 |
|
| (Merk alsjeblieft
even op dat de eigenschappen van helemaal bovenaan deze les van een
lineaire afbeelding zijn gebruikt. Gedaan? Mooi, bedankt). |
|
 |
|
| Op dezelfde manier
kun je de eerste kolom van M vinden. |
|
|
| |
|
|
|
| En het zal je niet verbazen dat
dit principe ook geldt voor andere afbeeldingen, bijvoorbeeld van R3
naar R3: |
| |
|
|
|
Voorbeeld
Geef de matrix M die de volgende punten afbeeldt op
de volgende beeldpunten:
A = (0, 2, 4) ® A'
= (2, 3, 3)
B
= (1, 1,
6)
® B
' = (2, 0, -4)
C = (2, 5, 0)
®
C ' = (-1, 2, 0)
Oplossing
Je kun de kentallen van M gewoon a, b, c, d,
e, f, g, h, i, noemen en dan een stelsel van negen
vergelijkingen met negen onbekenden oplossen.
Maar je kunt ook proberen om de eenheidvectoren
op te bouwen uit OA en OB en OC.
Dat lukt het makkelijkst als je de eerst zorgt dat je twee
vectoren hebt met op dezelfde plaats een nul.
Bijvoorbeeld zoals OD en OE hieronder: |
' |
|
 |
|
Die OE kun je nu gebruiken om om de
tweede p[laats overal waar je maar wilt een nul te krijgen.
Doe dat zelf verder maar..... |
|
|
| |
|
|
|
| |
|
|
|
| |
|
|
|
OPGAVEN |
| |
|
|
|
| 1. |
Bereken de matrix die hoort bij de volgende lineaire afbeeldingen t.o.v.
de oorsprong.
Doe dat door een stelsel vergelijkingen op te lossen. |
| |
|
|
|
| |
a. |
(1, 2)
wordt afgebeeld op (-6, 7) en (2, 3)
wordt afgebeeld op (-8, 11) |
| |
|
|
|
| |
b. |
(3, 1) wordt afgebeeld
op (7, 9) en (2, 4) wordt afgebeeld op
(8, 16) |
|
| |
|
|
|
| 2. |
Bereken de matrix die
hoort bij de volgende lineaire afbeeldingen t.o.v. de oorsprong.
Doe dat door de beelden van de eenheidsvectoren op te stellen. |
| |
|
|
|
| |
a. |
(2, 1) wordt afgebeeld
op (1, 0) en (3, -2) wordt afgebeeld op
(-7, 10) |
| |
|
|
|
| |
b. |
(1, 4)
wordt afgebeeld op (6, 11) en (-2, 2)
wordt afgebeeld op (-2, -2) |
| |
|
|
|
| 3. |
Iemand past t.o.v. de
oorsprong een draaivermenigvuldiging toe met factor 1,1 en hoek 40°.
Als je dat 5 keer achter elkaar doet, wat is dan het beeld van het punt
(1, 1)?
Geef de coördinaten in twee decimalen nauwkeurig. |
| |
|
|
|
| 4. |
Bereken de 3
´ 3 matrix die hoort bij de lineaire
afbeelding t.o.v. de oorsprong waarbij de punten A, B, C worden
afgebeeld op A', B' en C' .
Geef de kentallen van deze matrix in twee decimalen nauwkeurig.
A = (2, 3, 2) en A ' = (7, 10, 6)
B = (2, 1, 1) en B ' = (6, 5, 4)
C = (-2, -1, 3) en C' = (6, -1, 4) |
| |
|
|
|
|
 |
|
|
© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)
|