© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)

Meer opgaven  
       
Bereken de matrix die hoort bij de volgende lineaire afbeeldingen t.o.v. de oorsprong.
Doe dat door een stelsel vergelijkingen op te lossen.
       
  a. (2, 1) wordt afgebeeld op  (4, 8)   en  (-2, 5) wordt afgebeeld op (1, 6)
       
  b. (-4, 5) wordt afgebeeld op  (12, 22)   en  (-1, 2) wordt afgebeeld op (10, 7)
       
Bereken de matrix die hoort bij de volgende lineaire afbeeldingen t.o.v. de oorsprong.
Doe dat door de beelden van de eenheidsvectoren op te stellen.
       
  a. (2, 3) wordt afgebeeld op  (3, 7)   en  (1, 4) wordt afgebeeld op (-1, 6)
       
  b. (2, 4) wordt afgebeeld op  (-10, 12)   en  (1, 1) wordt afgebeeld op (-2, 4)
       
Iemand past t.o.v. de oorsprong een draaivermenigvuldiging toe met factor 1,2 en hoek 30°.
Als je dat 5 keer achter elkaar doet, wat is dan het beeld van het punt  (1, 1)?
Geef de coördinaten in twee decimalen nauwkeurig.
       
Bereken de 3 ´ 3 matrix die hoort bij de lineaire afbeelding t.o.v. de oorsprong waarbij de punten A, B, C worden afgebeeld op A', B' en C' .
Geef de kentallen van deze matrix in twee decimalen nauwkeurig.
A = (2, 2, -4)  en  A ' = (23, -20, 13)
B = (0, -1, 2)  en  B ' = (-7, 8, 7)
C
=  (-3, -2, 1) en  C' = (17, 10, 2)
       
MEER OPGAVEN
       
     

© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)