|
|
 |
|
Lineaire recursievergelijkingen. |
©
h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl) |
|
|
|
Een lineaire vergelijking is: y = ax + b
Daarom is een lineaire recursievergelijking: un
= a • un - 1 + b
Neem als voorbeeld un = 0,2un
- 1 + 3 met u0 = 4
Om een directe formule te maken voor un is het vaak
handig gewoon eerst eens een aantal termen te gaan opschrijven. Misschien
zien je wel een regelmaat.... je weet maar nooit.......
u0 = 4
u1 = 0,2 • u0 + 3
u2 = 0,2 • u1 + 3 = 0,2 • (0,2 •
u0 + 3) + 3 = 0,22 • u0
+ 0,2 • 3 + 3
u3 = 0,2 • u2 + 3 = 0,2 • (0,22
• u0 + 0,2 • 3 + 3) + 3 = 0,23 • u0
+ 0,22 • 3 + 0,2 • 3 + 3
u4 = 0,2 • u3 + 3 = 0,2 • (0,23
• u0 + 0,22 • 3 + 0,2 • 3 + 3) + 3 =
0,24 • u0 + 0,23 • 3 + 0,22
• 3 + 0,2 • 3 + 3
....
Voor un geeft dat het volgende:
|
|
|
|

|
|
|
Het laatste deel is een meetkundige rij, van achter naar voren geschreven.
De reden is 0,2.
De som van een meetkundige rij kunnen we al berekenen. Voor deze rij
geldt:
|
|
|
|
|
|
|
| En daarmee wordt de formule voor de hele
rij:
|
|
|
|
|
| |
|
Het dekpunt.
Het dekpunt van een recursievergelijking was de evenwichtswaarde E, weet
je nog? Het was de x- of y-waarde van het punt waar in een
webgrafiek de lijn y = x de lijn van de
recursievergelijking snijdt.
Je kon die waarde vinden door op te lossen un =
un - 1 = E.
Let wel: het was een mogelijke evenwichtwaarde. Of dat
evenwicht bereikt werd of niet hing meestal af van de
recursievergelijking en soms ook van de beginwaarde.
Lineaire recursievergelijkingen hebben hoogstens één dekpunt (immers
twee rechte lijnen hebben hoogstens één snijpunt), en dat vind je als
volgt:
E = aE + b ⇒
E - aE = b ⇒
E(1 - a) = b ⇒ E =
b/(1 - a)
| |
|
un
= a •
un
- 1 + b
heeft als evenwichtswaarde E = b/(1
- a) |
|
| |
|
| |
|
|
Handiger te onthouden. |
| |
|
Met die evenwichtswaarde is de
directe formule voor un veel eenvoudiger te
schrijven, en dus eenvoudiger te onthouden.
Met de a = 0,2 en b = 3 van hierboven vind je: |
 |
| Nou, daar staat dan weer een vrij
eenvoudig te onthouden "woordformule": |
| |
|
| un
= evenwicht + an • (begin
-
evenwicht) |
|
| |
|
Convergeren en Divergeren.
Het feit of een rij van een lineaire recursievergelijking convergeert of
divergeert hangt alleen af van a.
Hieronder zie je zes mogelijke gevallen. |
| |
|
|
 |
| |
|
Voor a < -1 of
a > 1 is de rij divergerend.
Voor -1 < a < 1 is de rij convergerend.
Voor a = -1 is de rij alternerend.
Voor a = 1 is de rij rekenkundig.
(bij divergerend moet eigenlijk staan "i..h.a.
divergerend", want als je begint met u0 = E dan
divergeert de rij uiteraard niet). |
| |
|
| |
|
|
|
OPGAVEN |
| |
|
| |
|
|
|
| 1. |
Stel een directe formule op die
hoort bij de volgende recursievergelijkingen: |
| |
|
|
|
| |
a. |
un = 0,6 •
un - 1 +
4 met u0
= 50 |
| |
|
|
|
| |
b. |
un = 3 • un
-1
- 6 met u0
= 1500 |
| |
|
|
|
| 2. |
Iemand begint bij een bedrijf te
werken voor een salaris van €5000,- Hij heeft echter bedongen
dat elk jaar zijn salaris zal worden verhoogd met €200,-
Helaas wordt door de inflatie ons geld elk jaar 1,7% minder waard.....
Als we de waarde van zijn eerste salaris €5000,- stellen, dan is zijn
tweede salaris dus 5200 • 0,983 = €5111,60 waard.
Stel een formule op voor de waarde van zijn salaris als functie van de
tijd n in jaren, |
| |
|
|
|
| 3. |
Als je de lampen van de
lantaarnpalen in een stad niet af en toe vervangt door nieuwen,
dan zullen er steeds meer lantaarnpalen het niet meer doen. Dat
lijkt nogal logisch.
Een gemeente wil weten hoe snel dit proces verloopt en vervangt
een aantal maanden geen lampen.
Daardoor neemt het aantal lampen dat het doet inderdaad af.
De eerste vier maanden meet men de volgende aantallen: |
| |
|
|
|
| |
| maand |
0 |
1 |
2 |
3 |
| aantal |
12600 |
10701 |
9104 |
7738 |
|
| |
|
|
|
| |
a. |
Laat zien dat er sprake is van een
exponentiële afname. Geef een recursievergelijking voor het
aantal werkende lampen L(n) in de gemeente.
Geef ook een directe vergelijking en bereken wanneer er nog
slechts 10000 werkende lampen zullen zijn als dit zo doorgaat. |
| |
|
|
|
| |
De gemeente besluit elke maand een
vast aantal kapotte lampen te gaan vervangen. Noem dit aantal
a.
Voorlopig neemt men a = 50. Neem aan dat los daarvan de exponentiële
afname nog steeds doorgaat met dezelfde factor. De nieuwe lampen
worden steeds aan het eind van de maand geïnstalleerd, dus die gaan
nog niet dood. De peildatum is steeds de eerste van de maand. |
| |
|
|
|
| |
b. |
Laat zien dat er bij een beginaantal
van 10803 (zoveel zijn er nu) over 4 jaar dan 8985 werkende
lampen zullen zijn.
Geef opnieuw een recursievergelijking en een directe
vergelijking voor het aantal werkende lampen.
Neem A(0) gelijk aan 10803. |
| |
|
|
|
| |
c. |
Bepaal op twee verschillende
manieren hoeveel werkende lampen er met dit nieuwe systeem uiteindelijk
zullen zijn. |
| |
|
|
|
| |
Uiteindelijk wil men graag
uiteindelijk graag weer 12600 werkende lampen krijgen. Daarvoor
zal men het aantal a
dus moeten verhogen. |
| |
|
|
|
| |
 |
| |
|
|
|
| |
d. |
Teken hierin de weblijnen voor de
eerste drie maanden dat de gemeente werkte met a = 50.
Bepaal vervolgens met deze grafiek hoe groot de
gemeente a moet kiezen om uiteindelijk op 10800 werkende
lampen uit te komen.
Teken tenslotte in deze figuur een nieuwe webgrafiek waarin je
de volgende drie maanden weergeeft als men deze nieuwe waarde
van a gaat gebruiken.. |
| |
|
|
|
| 4. |
Een werkgever geeft haar personeel
elk jaar 250 vakantieuren. Verder heeft zij de regeling dat
iedereen van de niet-opgenomen uren in een jaar 70% mee mag
nemen naar het volgende jaar. |
| |
|
|
|
| |
Jolien is in 2000 begonnen te werken
bij deze werkgever. Zij neemt elk jaar 200 uren op. Noem
J(n) het aantal vakantieuren dat Jolien heeft in jaar n
(met n = 1 in 2000) |
| |
|
|
|
| |
a. |
Stel een recursievergelijking voor
J(n). |
| |
|
|
| |
b. |
Stel een directe vergelijking op
voor J(n), en bepaal daarmee hoeveel vakantieuren Jolien in
2020 heeft. |
| |
|
|
| |
c. |
Hoeveel uur had Jolien ongeveer per jaar moeten
opnemen als zij in 2000 graag 500 uur zou hebben? |
| |
|
|
|
| 5. |
Voor een lineaire
recursievergelijking geldt dat u0 = 200 en
u1 = 240.
Bereken in twee decimalen nauwkeurig u10
als je weet dat de evenwichtswaarde 500 is. |
| |
|
|
 |
 |
|
|
©
h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl) |