Hiernaast staat een
balk OABC.DEFG waarvoor geldt dat
OA = 3, AB = 5 en AE = 4
P en Q zijn de middens van AB en GC.
R is het midden van AD.
Geef vectorvoorstellingen van de volgende lijnen (met O
als oorsprong):
a.
GP
b.
CR
c.
EQ
Bereken de hoek tussen de volgende
vectoren:
a.
b.
MEER OPGAVEN
5.
T.ABCD is een
piramide met vierkant grondvlak met zijden 4.
De hoogte van T boven het grondvlak is 6.
M is het midden van BC.
N is het midden van AB.
S is het midden van TN.
P is het midden van SM.