|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Een functie was tot nu toe, bij de
reële getallen, een
soort recept om aan x-getallen (het domein) y-getallen
te koppelen. Het is een formule waar je een x instopt en waar dan
een y uit komt rollen. We schreven dat meestal als
y = f(x). We konden er een grafiek van maken
met een x-as en een y-as. Hoe is dat bij de complexe getallen? Nou precies zo. Een functie is ook een soort voorschrift waar je een complex getal z instopt en waar dan een ander complex getal uitkomt. Niks aan de hand zou je zeggen. Het probleem komt pas bij het tekenen van een grafiek.....
Wat je in de functie stopt zijn complexe getallen en die liggen niet
netjes op een x-as, maar in een heel vlak. En ook wat er uitkomt
zijn complexe getallen die dus ook in een vlak liggen, en niet netjes op
een y-as of zo. Daarom kun je niet zomaar een grafiek tekenen.
Als "x-as" zou je een heel vlak nodig hebben en als "y-as"
ook! Dat zou een vierdimensionale tekening geven. En dat kunnen we
helaas niet.... |
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Links staan de originelen, rechts de beelden daarvan bij de functie f(z) = 2z + 1. Door veel van deze vormen te bekijken krijg je misschien een beetje een idee van wat deze functie doet. Probeer dat maar eens in je eigen woorden te omschrijven aan de hand van deze plaatjes. Lastig hé? Misschien gaat het met de formule wel makkelijker dan met de plaatjes. Hieronder staat wat er ongeveer gebeurt. Denk eerst zelf na!!!! | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Het is nogal behelpen zo! Stel dat we voor de reële functie f(x) = 2x + 1 ook de x-as en de y-as apart zouden tekenen, met gekleurde gebiedjes en hun beeld. Dat zou zóiets kunnen opleveren: | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Eigenlijk heb je geen idee wat
hier nou gebeurt. Het is in ieder geval lang niet zo duidelijk als die mooie lineaire grafiek van y = 2x + 1 die we gewend waren.... Jammer. We moeten er maar het beste van maken, en proberen een beetje te snappen wat die complexe functies nou precies doen. Dat vergt vast een boel oefening...... |
||||||||||||||||||||||||||||||||||
| De "lineaire" functie: f(z) = (a + bi) • z + (c + di) | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Dat was de simpelste die ik kon
verzinnen. Maar hij is helemaal niet simpel!!!! Wat gebeurt er met een punt z bij deze functie? Waar komt het beeld van z terecht? Dat is in twee etappes te zien: |
||||||||||||||||||||||||||||||||||
| I |
Als je een getal z vermenigvuldigt met a + bi = r • (cosφ + isinφ) dan is dat een draaivermenigvuldiging. Dat betekent in het complexe vlak dat de afstand (van het punt dat bij z hoort) tot de oorsprong r keer zo groot wordt, en dat het punt daarna over een hoek j wordt gedraaid. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||
| II |
Als je bij een getal z een vast getal c + di optelt dan is dat een verschuiving. In het complexe vlak gaat zo'n punt dan c naar rechts en d omhoog. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Daarmee kun je aardig zien hoe
het beeld van een figuur/gebied eruit gaat zien. Het is handig dat je het volgende daarbij onthoudt: |
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Immers bij al die "bewerkingen" in de punten I en II hierboven blijven rechte lijnen nog steeds rechte lijnen en cirkels blijven cirkels. Het handige daaraan is dat je bijvoorbeeld, om het beeld van een driehoek te vinden, alleen maar hoeft te kijken waar de hoekpunten terecht komen; dan heb je de hoekpunten van de beelddriehoek. De rechte lijnen daartussen blijven rechte lijnen. En om het beeld van een deel van een cirkel te vinden hoef je alleen maar te kijken waar het middelpunt en waar de uiteinden terechtkomen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Dekpunten. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
| We hebben nou al een boel
tekeningetjes van gebieden z gehad met hun bijbehorende
gebieden f(z). Die tekenden we steeds naast elkaar. Maar stel dat je ze zoals de paarden hiernaast over elkaar heen legt? Dan zijn er vaak snijpunten van de figuur met zijn beeldfiguur. Sommige van die punten zijn misschien punten die door de functie op zichzelf worden afgebeeld. Zulke snijpunten heten dekpunten en daarvoor geldt dus:
Let dus goed op: een dekpunt is altijd een snijpunt van de figuur met zijn beeldfiguur, maar niet elk snijpunt is een dekpunt! |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
| Neem bijvoorbeeld de eenvoudige functie
f(z) = (cos1/4π
+ i • sin1/4π)
• z. Dat is niets anders dan een draaiing over 45ş, dus een cirkel met middelpunt O wordt daardoor op zichzelf afgebeeld, maar toch zijn er op die cirkel geen dekpunten. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
| OPGAVEN | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||