 |
|
Evenwicht. |
©
h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl) |
|
| |
|
|
|
| De conclusie van de
vorige les
was de volgende: |
| |
|
|
|
|
beginsituatie B0,
overgangsmatrix M
⇒ na
n jaar is de situatie Bn
= Mn • B0 |
|
|
| |
|
|
|
Nou is het natuurlijk
erg interessant om te onderzoeken of er op den duur een stabiele
situatie zal ontstaan die niet meer verandert.
In de opgaven 2b en 5c van die vorige les hebben we dat al onderzocht,
gewoon door voor n een heel groot getal te nemen en te kijken of
de matrices Bn naar een grenswaarde toegaan.
Deze les willen we dat graag wat wiskundiger gaan berekenen...... |
| |
|
|
|
Met de vraag "Is
er een evenwicht" bedoelen we eigenlijk: ""Is er een
situatie B die door de overgangsmatrix gewoon dezelfde B weer oplevert?"
Als dat zo zou zijn, dan is volgende B wéér gelijk en die daarna wéér
gelijk en zo maar door. Kortom: Het verandert niet meer.
Hoe vind je zo'n evenwichtssituatie?
Nou, dat staat eigenlijk hierboven al: Als je B • M uitrekent, dan
moet B er weer uitkomen, ofwel: |
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
Daarmee kun je
vrij eenvoudig de evenwichtshoeveelheden uitrekenen, immers als je
B • M = B uitschrijft krijg je een stelsel vergelijkingen.
Noem de hoeveelheden in het voorbeeld hierboven in de evenwichtssituatie
G, S en B, dan krijg je dit: |
| |
|
|
|
|
 |
| |
|
|
|
Maar met de drie
vergelijkingen rechts is iets aan de hand. Iets vervelends....
Kijk maar wat er gebeurt als je ze gaat oplossen;
van de bovenste kun je maken 0,1S = 0,35G dus S =
3,5G. Dat kun je invullen in de tweede en derde:
(2): 0,25G + 0,7 • 3,5G + 0,1B = 3,5G ofwel
0,1B = 0,8G ofwel B = 8G
(3): 0,1G + 0,2 • 3,5G + 0,9B = B ofwel 0,8G =
0,1B ofwel B = 8G.
Hè Bah!!
Dat geeft twee keer dezelfde vergelijking, dus dat valt niet op te
lossen. Dit stelsel vergelijkingen heet afhankelijk
en heeft oneindig veel oplossingen!!!
Gelukkig is er redding: we weten namelijk nóg een
vergelijking, namelijk dat het totaal aantal constant blijft:
G + S + B = 600
Dat geeft met B = 8G en S = 3,5G de
oplossing G = 48, B = 384 en S = 168 en dat is
de gezochte evenwichtstoestand.
Dit laatste gebeurt altijd: omdat het totaal aantal constant is,
is het stelsel afhankelijk. Het zit hem erin dat de som van elke kolom
van de overgangsmatrix gelijk is aan 1. Dat betekent dat er geen land
verdwijnt of bijkomt, het wisselt alleen onderling van plek. Zo'n
systeem heet een gesloten systeem, en geeft altijd een afhankelijk
stelsel. Maar gelukkig hebben we dan ook altijd als extra vergelijking
dat het totaal constant blijft. |
| |
|
|
|
|
totale hoeveelheid constant
⇔
gesloten systeem
⇔
afhankelijk stelsel |
|
| |
|
|
|
|
Open systemen. |
| |
|
|
|
| Onder de konijnen van een eiland is een ziekte uitgebroken die zich
kenmerkt door de volgende gegevens: |
| · |
Elke week wordt 15%
van de gezonde konijnen ziek, de rest blijft gezond. |
| · |
Van de zieke konijnen geneest in een
week 30% en blijft 65% ziek. 5% overlijdt aan de ziekte |
| Dat zou de volgende
overgangsmatrix opleveren: |
| |
|
|
|
|
 |
| |
|
|
|
Je ziet direct al dat
we hier niet met een gesloten systeem te maken hebben, want de som van
de kolommen is niet nul. Er verdwijnen konijnen uit het systeem
omdat er een aantal doodgaan: die laatste kolom is niet 1.
Dat betekent dat het totale aantal konijnen steeds minder zal worden.
Het aantal zal uiteindelijk naar nul toe gaan.
Dat zie je ook aan de vergelijkingen:
Gn + 1 = 0,85Gn + 0,30Zn
Zn + 1 = 0,15Gn +
0,65Zn
Je ziet direct dat J = G = 0 een oplossing van
deze vergelijkingen is.
Je kunt het ook zien door de vergelijkingen bij elkaar op te tellen:
(Gn + 1 + Zn + 1)
= 0,85Gn + 0,30Zn + 0,15Gn
+ 0,65Zn
= Gn + 0,95Zn
= (Gn + Zn)
- 0,0,5Zn
Laten we aannemen dat er ook nieuwe konijnen geboren worden....
Bijvoorbeeld dat elk gezond konijn gemiddeld 0,1 nakomeling
krijgt.
Dat verandert die 0,85 en 0,30 uit de overgangsmatrix in 0,95 en
0,40
De vergelijkingen worden dan:
Gn + 1 = 0,95Gn + 0,40Zn
Zn + 1 = 0,15Gn +
0,65Zn
Het probleem is dat dan G = Z = 0 nog steeds een
oplossing is!!!!
Hoe zit dat?
Het is inderdaad zo dat G = Z = 0 een oplossing is, maar
deze oplossing wordt nooit bereikt! (nou ja: alleen als met 0 konijnen
begint, maar dat is een nogal flauwe oplossing).
Begin bijvoorbeeld met 1000 gezonde konijnen en je krijgt de volgende
serie bevolkingsmatrices: |
| |
|
|
|
|
 |
| |
|
|
|
Het totaal aantal
konijnen wordt alsmaar groter; de bevolking loopt steeds verder van het
evenwicht weg!
Je zou wel een evenwicht dat niet G = Z = 0 heeft kunnen
krijgen door elke week een vast aantal gezonde konijnen uit te zetten.
Als je bijvoorbeeld elke week 500 nieuwe gezonde konijnen uitzet dan
worden de vergelijkingen (vanaf de oorspronkelijke situatie):
Gn + 1 = 0,85Gn + 0,30Zn+
500
Zn + 1 = 0,15Gn +
0,65Zn
Dat geeft voor het evenwicht:
0,15G - 0,30Z = 500
0,15G - 0,35Z = 0
optellen geeft 0,05Z = 500 dus Z = 10000
en dan is G = 233331/3
Kunnen we dat ook met
matrixvermenigvuldigen berekenen?
Tuurlijk.
Voer gewoon een derde categorie "nieuwe konijnen (N)" in en
gebruik deze overgangsmatrix: |
| |
|
|
|
|
 |
| |
|
|
|
Als je nu maar
N0 = 500 neemt dan geven de eerste en tweede rij van
de matrix Bn de aantallen gezonde en zieke konijnen na
n weken.
(Ga zelf vooral na dat deze matrix M inderdaad de
evenwichtsvergelijkingen hierboven oplevert!) |
| |
|
|
|
| |
|
|
|
OPGAVEN |
| |
| Je mag er voor het
gemak van uitgaan dat alle aantallen in de volgende vraagstukken
geen gehele getallen hoeven te zijn (ook al is dat eigenlijk wel
zo). |
| |
|
| 1. |
Een middelbare school introduceert de zogenaamde
"Maatwerkmiddag".
Dat is elke week de woensdagmiddag, en daarin zijn er steeds
drie studiepleinen binnen de school beschikbaar waar de
leerlingen uit kunnen kiezen. Op elk studieplein zijn meerdere
leraren beschikbaar om te helpen.
Er is een a-studieplein, een
b-studieplein en een
g-studieplein. Elke week moeten de
leerlingen op maandag al aangeven op welke plein ze die week
woensdag aan het werk zullen gaan.
Van de leerlingen die in een week het a-plein
kozen kiest de helft de week erna weer het a-plein
en 30% gaat naar het b-plein en de
rest naar het g-plein.
Van de leerlingen die in een week het b-plein
kozen kiest de week erop 60% weer het b-plein.
30% gaat naar het a-plein en de rest
naar het g-plein.
Van de leerlingen die in ene week het g-plein
bezochten gaat 55% de week erna weer naar het
g-plein, 20% switcht naar het
a-plein den de rest gaat naar het
b-plein. |
| |
|
|
|
|
|
| |
a. |
Stel een overgangsmatrix M op. |
| |
|
|
|
|
|
| |
In een
bepaalde week zijn er 210 leerlingen op het
a-plein, 150 leerlingen op het b-plein
en 130 leerlingen op het g-plein. |
| |
|
|
|
|
|
| |
b. |
Bereken hoe de situatie
over 4 weken zal zijn. |
| |
|
|
|
|
|
| |
c. |
Uiteindelijk ontstaat er
een stabiele situatie waarbij de aantallen leerlingen op de drie
pleinen niet meer zullen veranderen. Bereken algebraïsch hoe
groot die aantallen dan zullen zijn. |
| |
|
|
|
|
|
| 2. |
De enige supermarkt in
een klein dorpje heeft een vast klantenbestand van 880 klanten,
Men verkoopt drie soorten cola: Coca Cola (C) , Pepsi Cola
(P) en het Huismerk Cola (H).
De marketingmedewerker van de supermarkt houdt nauwkeurig bij
hoeveel klanten welke soort cola kopen.
Het blijkt dat van de Coca-Cola kopers in een maand 80% de
volgende maand wéér Coca-Cola koopt, 15% switcht naar het
Huismerk en 5% switcht naar Pepsi Cola.
Van de Pepsi-Cola kopers in een maand koopt 75% de volgende
maand wéér Pepsi-Cola, 15% switcht naar het Huismerk en
10% switcht naar Coca-Cola
Van de Huismerk-kopers in een maand koopt 85% de volgende maand
wéér het huismerk, 10% schakelt over op Coca-Cola en 5% gaat
over naar Pepsi-Cola. |
| |
|
|
|
|
|
| |
a. |
Teken een graaf en stel een
overgangsmatrix op. |
| |
|
|
|
|
|
| |
b. |
Hoeveel zullen de klanten uiteindelijk
over de drie merken Cola verdeeld zijn? Geef een algebraïsche
berekening. |
| |
|
|
|
|
|
| 3. |
Met de cursus "Beleggen voor Beginners" van NHA ontdek je stap
voor stap de basisprincipes van beleggen, van aandelen tot
risicoanalyse. NHA organiseert ook nog een vervolgcursus
"Beleggen voor Gevorderden" die je kunt volgen als je de eerste
cursus succesvol hebt afgesloten (met een NHA-getuigschrift)
Beide cursussen duren 6 maanden.
De cursussen zijn erg populair, maar men kan hoogstens 800
mensen toelaten tot de eerste cursus.
Van de cursus "Beleggen voor Beginners" gaat na afloop
70% door naar de cursus voor Gevorderden, 20% stopt ermee en
rond de cursus niet af. De andere 10% haalt het getuigschrift
niet en gaat de cursus nogmaals doen.
Van de cursus "Beleggen voor Gevorderden" stopt 15% tijdens de
cursus ermee, en sluit 60% deze cursus succesvol af. De andere
25% gaat de cursus nogmaals doen.
NHA begint elk halfjaar met van beiden een nieuwe cursus,
waarbij men in de cursus "Beleggen voor Beginners" altijd zorgt
dat er 800 deelnemers zijn.
Degenen die uiteindelijk de cursus "Beleggen voor Gevorderden"
succesvol hebben afgesloten mogen zich "Professioneel Belegger"
noemen. |
| |
|
|
|
|
|
| |
a. |
Stel een
overgangsmatrix op. |
| |
|
|
|
|
|
| |
Op dit
moment starten er 800 deelnemers aan de beginnerscursus en
650 deelnemers aan de gevorderdencursus. |
| |
|
|
|
|
|
| |
b. |
Bereken
hoeveel deelnemers de cursus "Beleggen voor Gevorderden"
uiteindelijk zal hebben. |
| |
|
|
|
|
|
| |
c. |
Bereken
hoeveel "Professionele Beleggers" de NHA de komende 6 jaar (12
cursussen) zal afleveren. |
| |
|
|
|
|
|
| 4. |
Een grote golfclub heeft
op dit moment 460 leden.
Elk lid heeft een eigen "Handicap".
De handicap toont aan hoeveel slagen de speler gemiddeld nodig
heeft om 18 holes
te spelen boven de par
van de baan. De hoogste handicap is 54. Een speler met handicap
nul noemt men een
scratchspeler.
Op deze golfclub onderscheidt men drie soorten spelers:
Recreanten (R) hebben handicap 37-54,
Toernooispelers (T) hebben handicap 19-36 en Professionals (P)
hebben handicap 0-18.
Elke maand wordt aan het begin van de maand aan de hand van de
prestaties van de spelers die maand de nieuwe handicap bepaald.
Van de Recreanten wordt elke maand 10% Toernooispeler en
van de Toernooispelers wordt elke maand 25% Professional.
Als je een maand slecht speelt kun je degraderen van
Toernooispeler weer naar Recreant, en van Professional weer naar
Toernooispeler of zelfs in uitzonderlijke gevallen van
Professional direct naar Recreant.
Van de Professionals wordt elke maand 40% weer Toernooispeler en
5% Recreant.
Van de Toernooispelers wordt elke maand 50% weer Recreant.
Van elke categorie verlaat elke maand 10% de club.
Verder komen er elke maand aan het begin 60 nieuwe clubleden
bij, en die beginnen allemaal als Recreant. |
| |
|
|
|
|
|
| |
a. |
Stel vergelijkingen op
voor de aantallen Recreanten, Toernooispelers en Professionals,
en bereken daarmee algebraïsch welke evenwichtssituatie onder
deze voorwaarden zal ontstaan. |
| |
|
|
|
|
|
| |
b. |
Als er op een bepaald
moment van elke categorie 200 spelers zijn, hoe zal die situatie
dan over 12 maanden zijn? Geef een berekening met
matrixvermenigvuldiging. |
| |
|
|
|
|
|
 |
|
|
|
|
©
h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl) |
|
| |
|
|
|